Laatst bijgewerkt: mei 2026
Kunstmatige intelligentie lijkt een uitvinding van de laatste jaren, maar het vakgebied bestaat al sinds de jaren vijftig. Het groeide in golven van enthousiasme en tegenslag. Deze korte geschiedenis helpt je begrijpen waarom AI nú zo’n vlucht neemt.
De jaren vijftig: het begin
De term “artificial intelligence” werd in 1956 gebruikt op een inmiddels beroemde workshop in Dartmouth (VS). Onderzoekers geloofden dat machines konden leren denken. De eerste programma’s konden eenvoudige puzzels en spellen aan. De verwachtingen waren hoog — soms te hoog.
De “AI-winters”
Toen de beloften niet snel genoeg werden waargemaakt, droogde de financiering een paar keer op. Die periodes heten “AI-winters”. De ideeën verdwenen niet, maar de aandacht en het geld wel — tijdelijk.
Machine learning komt op
Vanaf de jaren tachtig en negentig verschoof de aanpak van vaste regels naar leren uit data: machine learning. Met meer data en betere algoritmes werden toepassingen als spamfilters en aanbevelingssystemen praktisch bruikbaar.
De doorbraak van deep learning
Rond 2012 zorgden krachtigere computers, veel data en verbeterde neurale netwerken voor een doorbraak in beeld- en spraakherkenning. Dit “deep learning” legde de basis voor de generatieve AI van nu.
De generatieve golf
In de jaren twintig van deze eeuw werden large language models en beeldgeneratoren breed beschikbaar voor het publiek. Daarmee kwam AI in het dagelijks leven en op de werkvloer terecht — en groeide ook de discussie over betrouwbaarheid, auteursrecht en veiligheid.
De rode draad: AI groeide niet in één rechte lijn, maar in golven. Wat nu “nieuw” lijkt, bouwt voort op decennia onderzoek.
Veelgestelde vragen
Wanneer is AI uitgevonden?
Wat is een AI-winter?
Meer lezen bij een betrouwbare bron: de Rijksoverheid over AI.